Rabin S. Baldewsingh
Za 8 Nov 2008 - Den Haag krijgt Tjalie Robinsonduin
Den Haag krijgt Tjalie Robinsonduin
Eindelijk is het zover. Na een queeste van meer dan 20 jaar is het onze hoogleraar stadsgeschiedenis Wim Willems gelukt om een biografie te schrijven van Tjalie Robinson, alias Jan Boon. En wat voor een biografie! Met bijna 600 pagina's is het werkelijk een prachtige levensbeschrijving geworden van deze Indo-schrijver en oprichter van onze wereldberoemde Pasar Malan Besar van Den Haag. Het boek is een blik terug in de tijd, maar ook een schitterende kroniek van de stad Den Haag, gelardeerd met vaak emotioneel beladen verhalen van deze Haagse Icoon. Maar eigenlijk geeft het boek ook een mooi portret van de migratiegeschiedenis van onze stad; te beginnen met die van de Indische mensen in de jaren vijftig en daarna.
Het boek werd gepresenteerd tijdens een emotioneel beladen bijeenkomst in Theater Diligentia. Ik had de eer om het tweede exemplaar in ontvangst te mogen nemen. Na mijn toespraak (zie hieronder) heb ik namens het College van B&W de aanwezigen (waaronder de weduwe van Tjalie Robinson) en de stad een mooi cadeau mogen overhandigen: een plein dat voortaan vernoemd zal worden naar deze “multiculturalist avant la letre”, zoals hij tijdens de presentatie neergezet werd.
In de nieuwe woonwijk in Houtrust wordt een plein vernoemd naar de schrijver/journalist Tjalie Robinson: het Tjalie Robinsonduin. Dit is wat mij betreft een (weliswaar verlate, maar toch een prachtige) eerbetoon aan Robinson.
Tjalie Robinson werd in 1911 geboren en stierf in 1974). Hij begon precies 50 jaar geleden met de Pasar Malam Besar in de Haagse dierentuin. Daarna werd dit multicultureel festival jarenlang gehouden in de Houtrusthallen. Hij was een belangrijke spreekbuis van de Indische gemeenschap in Nederland; een inspirator pur sang. Een man die voor velen nog altijd tot de verbeelding spreekt. Ook ik herken mij in hem als iemand die juist geinspireerd door zijn verhaal graag verbindingen wil leggen tussen mensen en groepen in een stad die de afgelopen dertig jaar aanzienlijk is veranderd. Wat een prachtige uitdaging!
TOESPRAAK ‘Over een Haags-Indisch icoon’
29 oktober 2008 in Diligentia
Dames en heren, mevrouw Ducelle, professor Willems,
Soms zeg je wel eens voor de vorm dat iets je een eer en genoegen is, maar neemt u van mij aan dat ik me wèrkelijk zeer gevleid en vereerd voel dat ik hier vandaag het eerste exemplaar van deze biografie over Tjalie Robinson in ontvangst mag nemen.
Den Haag is immers van oudsher de thuisbasis van de Indische cultuur.
Paul van Vliet zingt in één van zijn bekende liedjes over de lege paleizen van Den Haag – die overigens in 2008 zo leeg niet meer zijn – maar in hetzelfde lied zingt hij óók over ‘Den Haag met haar geur van een Indisch pension!’
Wie de oude jaargangen van het weekblad ‘De Indische Verlofganger’ doorbladert, beseft dat die speciale geur je ooit vooral vanuit het westen van deze stad tegemoet kwam. De bladzijden in dit weekblad puilden bijna uit van advertenties voor gemeubileerde kamers, etages en pensions als Huize Sedina en Pension Wilhelmina aan de Statenlaan. Den Haag was helemaal ingesteld en ingericht op de zogenoemde Indischgasten. Je vond hier alles wat verband hield met de Oost: winkels voor tropenuitrustingen – De Bijenkorf had hiervoor zelfs een speciale afdeling – , toko’s met ingrediënten voor de rijsttafel, de oudste Indische restaurants en gezelligheidsverenigingen als ‘Eurasia’ en ‘De Indische Club’. Bij ‘Sociëtiet De Witte’ bestond zelfs een speciaal drie-maanden-lidmaatschap voor verlofgangers uit de Gordel van Smaragd.
Na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 verhuisden naar schatting een kwart-miljoen tot 300.000 ‘Indischgasten’ voorgoed naar Nederland. Landgenoten die in Indië hadden gewerkt en vooral Nederlanders van gemengd bloed, die in de voormalige kolonie waren geboren en opgegroeid. Zij voelden zich niet meer ‘senang’ in de Republiek Indonesië. Zeker 60.000 repatrianten vestigden zich hier in Den Haag, de stad die al van oudsher een bijzondere relatie met De Oost had onderhouden.
Den Haag werd daarmee – volgens de schrijver-dichter Willem Wilmink – de Weduwe van Indië. Waarschijnlijk zijn nergens zoveel tranen gelaten om ‘Ons Indië’ als in deze stad. De weemoed die hierbij hoort, werd al vóór 1900 treffend beschreven door P.A. Daum in zijn boek ‘Indische mensen in Holland’. Hij roept een sfeer op van ontheemde, van Holland vervreemde en van heimwee verteerde mensen, die voortdurend elkaars gezelschap zochten en de sfeer van tempo doeloe, de voorbije tijd, levend probeerden te houden.
Maar de Weduwe van Indië blikte niet alleen met weemoed terug. Zij trad tegelijkertijd met ongekende vitaliteit de nieuwe toekomst tegemoet. Dankzij die vitaliteit en levenskunst kon de Indische gemeenschap een nadrukkelijk eigen stempel op Den Haag drukken.
De Indo-schrijver Tjalie Robinson speelde daarin een prominente rol en werd de vertolker van Indisch Nederland. Hij gaf de Indo’s een eigen plaats in de Nederlandse – en zeker ook in de Haagse - samenleving. Hij gaf een stem en een gezicht aan de ‘stille – Indische- kracht’. Daarmee werd hij de emancipator van de Indo-gemeenschap in dit land. We kunnen hem beschouwen als de pionier op het terrein van de integratie met behoud van eigen identiteit en cultuur. Daarmee is hij voor veel andere nieuwkomers in dit land en deze stad een icoon en een bron van inspiratie geworden. Ook ik voel mij – zowel persoonlijk als in mijn beleid – geïnspireerd door zijn voorbeeld.
Wim Willems is er in zijn biografie over Tjalie Robinson in geslaagd de veelzijdigheid van deze voorman van de Indo-gemeenschap beeldend te beschrijven. Hij schetst het beeld van een ‘verteller die de zenuwen blootlegde van een maatschappij en een bevolking in een overgangsperiode. Bijna als in een sociale documentaire’, schrijft Wim Willems. Daarnaast wordt duidelijk dat Tjalie Robinson ook een kunstenaar was die de hartenklop van een samenleving omzette in beelden en woorden.
Deze man met zijn talrijke talenten en gezichten had ook vele namen waaronder hij bekend is geworden. Jan Boon, Vincent Mahieu, Oom Jan, Jan Pennaert, Jan van Nimwegen, Knouff en natuurlijk vooral als Tjalie Robinson. Je zou er met wat goede wil een woonwijkje van straatnamen mee kunnen voorzien.
Dames en heren,
In het boek ‘Indische Duinen’ beschrijft Adriaan van Dis de eerste kennismaking van een stel Indo-kinderen met de uit de nevel opdoemende Hollandse kust.
* ‘Wat zijn dat?’ vroeg Saskia. ‘Duinen,’zei de moeder, Hollandse duinen’, en haar stem trilde. “Net cake,’zei Saskia. De omstanders lachten en huilden tegelijk. *
Die duinen zullen ook het eerste zijn geweest wat Tjalie in 1954 vanaf het dek van de omgebouwde mailboot Johan van Oldenbarneveldt uit de nevelen zag opdoemen. Behalve de Hollandse kust was ook de toekomst van de repatrianten in nevelen gehuld. In het land ‘waar de blanke top der duinen schitterde in de zonnegloed…’ werd ook uit volle borst een nationaal volkslied gezongen waarin duidelijk werd gemaakt dat ‘wien Neerlands bloed door de adren vloeit van vreemde smetten vrij diende te zijn!’ Er was nog een lange weg te gaan naar de acceptatie en emancipatie van de Indo’s in Nederland.
Tjalie Robinson stelde zijn talenten in dienst van die emancipatie en werd daarmee een wegbereider van de multiculturele samenleving, die Nederland inmiddels is geworden. Ook Den Haag kent een rijke culturele diversiteit. Een diversiteit die ik als wethouder Burgerschap van deze stad als een kracht beschouw die ons onderscheidt en die we moeten koesteren en vieren.
Ons multiculturele Den Haag vormt een prachtig en veelkleurig mozaiek. De Indo-gemeenschap – met een eigen en herkenbare identiteit – vormt daarvan een waardevol en onmisbaar onderdeel. Tjalie Robinson is daarvan een belangrijk icoon. Dat icoon verdient een blijvende en herkenbare plaats in onze stad. Zijn naam moet blijven voortleven en als het ware aan deze stad worden ‘vastgeklonken’.
Noem mij, bevestig mijn bestaan,
Laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.
Voor wie ik liefheb, wil ik heten.
Deze regels uit een gedicht van Neeltje Maria Min lijken me een passende inleiding voor de onthulling die ik u hier vandaag mag doen, namelijk dat de naam van Tjalie Robinson verbonden zal worden aan een plein van onze Mozaiekstad.
Dames en heren, mevrouw Ducelle, meneer Willems,
Tjalie Robinson leeft voort in de talrijke activiteiten die hij in Den Haag ontplooide, maar natuurlijk vooral in de Pasar Malam Besar. Voor het grootste deel van zijn inmiddels ruim 50-jarig bestaan werd de Pasar Malam in de Houtrusthallen gehouden. Die plek blijft daardoor voor altijd verbonden aan zijn naam. Vandaar dat het gemeentebestuur heeft besloten het plein bij de voormalige Houtrusthallen naar hem te vernoemen. Dit plein zal voortaan heten: ‘Tjalie Robinsonduin’
Mevrouw Ducelle,
Het is mij een grote eer u het eerste straatnaambord van het ‘Tjalie Robinsonduin’ te mogen aanbieden.
Gepost op Zaterdag 8 November 2008 door Rabin.
Reacties op dit bericht
sorry meneer Rabin S.Baldewsingh, u heeft het wel goed verkeerd, want het was Mary Bruckel Beiten die de eerste legendarische Pasar Malam Tong Tong heeft opgericht in 1958. En niet Tjalie Robinson in 1959.
Bewijzen heb ik u gestuurd, dat het Mary Bruckel-Beiten was, die de eerste postcoloniale Pasar Malam vestigde in de Haagse Dierentuin in 1958.Nog wel met haar eigen geld!
Zou u niet als een wethouder van de Haagse gemeente deze benoeming niet eerlijk veranderen? De Haagse burgemeester meneer van der Aartsen, heeft mij geschreven dat Mary BB nu op de lijst staat voor een straatvernoeming, en hoop dat u, die zo goed straatvernoeming kan geven, dit eerlijk voor een vrouw die onder het tapijt is geschoven dit eindelijk gerechtvaardigd word: ere wie ere toekomt, is het niet meneer Baldewsingh? (P.v.d.A)
Meneer Baldewsingh, U negeerd mij, dat zie ik wel. Weet u dat dit net als een gestolen identeteit is, maar dan in het onware nomanatie van een naam, met de door Tjalie R. verkeerd geschreven jaar 1959. Als een geleerde man, meneer Baldewsingh, weet u niet dat als het 50ste jubileum gevierd is in 2008 dat het begin 1958 moet zijn en niet 1959, dat was het 1ste jubileum.Zou u nu eerlijk beginnen met de archieven in de gemeente Den Haag veranderen. En onze familie laten weten wanneer Mary Bruckel Beiten nu eidenlijk word erkend, en haar eer krijgt voor een vernoeming van een straat of plein of? zoals de burgemeester meneer J.J.v. Aartsen mij schreef en dit had beloofd. Dank u zeer voor uw tijd.
Geraldine Bruckel-Lang
Meneer Baldewsingh, ik zie dat u 1959 niet meer gebruikt. Maar nog wel de leugen dat de eerste pasar malam postcoloniale tijd door T.R. is opgericht. Gaat iedereen het nu eindelijk veranderen in 1958 door de ware oprichter een vrouw Mary Bruckel Beiten erkennen?Wees toch eerlijk meneer Baldewsingh, en verander het in de juiste postcoloniale geschiedenis bij de gemeente Den Haag.
Uw bent een wethouder. Ik heb een brief ontvangen van de burgemeester van Den Haag, meneer v.d,Aartsen die mij schrijft dat Mary Bruckel Beiten op de lijst staat voor een straatvernoemning. Met al de bewijzen die ik uw heb gestuurd dat het Mary Bruckel Beiten was die de eerste postcoloniale pasar in Nederland heeft gebracht en niet Tjalie Robinson. Zou u niet deze eer voor haar kunnen vervullen? De fout van u gemaakt dat het Tjalie Robinson was, kan waarschijnlijk niet veranderd worden, want het kost te veel, en als mensen hem geliefd hebben voor zijn komieken, zou ik het dat maar houden. Maar wel graag boete geven aan instanties die de leugen, een gestolen indetificatie van een naam en wel een vrouw telkens zonder eerbied onder het tapijt schuiven, terwijl het op haar "rug" allemaal is opgebouwd!
Meneer Baldeswingh, kost het te veel om het tot de waarheid te veranderen? Is het corruptie, die de geschiedenis van postcoloniale jaren niet tot het juiste willen veranderen? Is het een schande dat er zoveel lariekoek is geschreven?Nederland wijst de finger aan vrouwen onderdrukking, onder ons eigen neus gebeurd het, en nogwel de Indische vrouw! Toch wel jammer, wij indischen die vrolijk en altijd de moed erin houden. En toch een "icon" die ons allemaal verlakt hebben. Ik wilde ook eigenlijk maar m'n mond houden.Het is niet leuk de waarheid te moeten publiceren. Sorry ik kan het niet het is te oneerlijk tegenover Mary Bruckel en haar families en nakomenlingen.
Meneer Baldeswingh, kost het te veel om het tot de waarheid te veranderen? Is het corruptie, die de geschiedenis van postcoloniale jaren niet tot het juiste willen veranderen? Is het een schande dat er zoveel lariekoek is geschreven?Nederland wijst de finger aan vrouwen onderdrukking, onder ons eigen neus gebeurd het, en nogwel de Indische vrouw! Toch wel jammer, wij indischen die vrolijk en altijd de moed erin houden. En toch een "icon" die ons allemaal verlakt hebben. Ik wilde ook eigenlijk maar m'n mond houden.Het is niet leuk de waarheid te moeten publiceren. Sorry ik kan het niet het is te oneerlijk tegenover Mary Bruckel en haar families en nakomenlingen.
Reageer
Reageren kan op twee manieren:
- Met je naam en e-mailadres: je moet je reactie per e-mail bevestigen.
- Met je eigen account: je reactie wordt automatisch geplaatst. Hiervoor moet je wel eerst registreren en inloggen.
- Rabin S. Baldewsingh