Zelfstandig denken
25-11-1999 De Gelderlander: De
Discussie
Volgens de ene krant heeft onderzoek
uitgewezen dat bijna de helft van de scholieren in de hoogste klassen van
HAVO en VWO voorstander is van het 'studiehuis'. Volgens de andere krant
is meer dan de helft van deze scholieren juist tegenstander van deze net
ingevoerde onderwijsvernieuwing. Aangezien de huidige hoogste klassen van
HAVO en VWO in het algemeen niet in het 'studiehuis' zijn opgenomen, is
dit onderzoeksresultaat even zonderling als de aandacht die het in de
media kreeg.
De scholierenstaking op 6 december
in Den Haag markeert de door velen voorspelde mislukking van het 'studiehuis'.
Tot de voorspellers behoorden behalve schrijver dezes (laatstelijk Het
Parool, 8 september 1999) al eerder de studiehuis-projectleider van
het ministerie van OCW, Clan Visser't Hooft.
Moeilijk was deze voorspelling niet,
aangezien de invoering van het 'studiehuis' - wie heeft deze
dierentuinterm trouwens ooit bedacht? - zich volgens het gebruikelijke
patroon van het 'constructief onderwijsbeleid' voltrok: abstracte idealen,
bedacht door onderwijsideologen die nog niet met een leesplankje om kunnen
gaan, gecombineerd met feitelijke bezuinigingen.
Veel is gezegd en geschreven over
het 'studiehuis', maar nergens ben ik tegengekomen dat deze 'vernieuwing'
een oudbakken karakter heeft. Het 'studiehuis' is immers niets anders dan
een variant van het 'projectonderwijs' dat eind jaren zestig aan
universiteiten en hogescholen opgang maakte.
Ik weet daar alles van. Mijn eerste
betrekking in het onderwijs oefende ik als bijbaan tijdens mijn studie uit:
docent sociologie aan de Sociale Academie te Groningen. Deze had nog
tijdens mijn sollicitatieprocedure een volledige transformatie van
pedagogisch regime ondergaan. 'Je moet je erop voorbereiden dat wij over
de hele linie het onderwijs vernieuwd hebben. Het autoritaire lesgeven
door beterweters is hier verleden tijd', deelde het sectiehoofd mij bij
mijn eerste bezoek grimmig mee.
Daarna begeleidde hij mij naar het
lokaal waar de studenten cultureel werk van de tweede klas zich ophielden.
Aardige mensen, nauwelijks jonger dan ik. Eén ervan kroop stoned
tussen de bankjes door; zijn bescheiden bijdrage aan de revolutie van de
jaren zestig.
Hier vernam ik dat de klas had
besloten drie projecten groepsgewijs ter hand te nemen: drugs, abortus en
werkende jongeren te Appingedam. Ik verklaarde dit ongemeen interessante
thema's te vinden en informeerde naar mijn bijdrage. Welnu, zo legden zij
mij uit, als zich tijdens het project sociologische vraagstukken voordeden,
dan zouden zij zich tot mij wenden.
Een week later bleek bij geen van de
drie projecten zo'n probleem te zijn opgedoemd. Ik sprak af dat ik in het
vervolg de avond tevoren gebeld zou worden als zij wel een vraag hadden.
Zoniet, dan kon ik mij een gure fietstocht naar de Oosterhamriklaan
besparen. De week daarna vonden de projecten kennelijk probleemloos
voortgang, maar weer een week later vroeg men mij te komen. De vraag was
deze: waarop moest men letten bij het observeren van werkende jongeren in
Appingedam? Ik deed mijn Socrates-mombakkes voor en vroeg terug: 'Waarop
zouden jullie letten als je apen moest observeren?'
Na de verplichte vrolijkheid kwam de
discussie op gang. Of je nu apen observeert of werkende jongeren, eerst
moet je weten waar je eigenlijk op uit bent. Onbevangen waarnemen is
onmogelijk, enzovoort; een standaard-introductie tot
sociaal-wetenschappelijk denken. In mijn herinnering kroop die ene jongen
alweer stoned tussen de bankjes door, maar helemaal zeker ben ik
daar niet van.
Nog voor het einde van het lesuur
leidde groepsoverleg tot de bedeesde vraag of ik wellicht bereid was
wekelijks college te geven over 'dit soort dingen'. In mijn andere groep
gebeurde hetzelfde. Daar heb ik tot ieders tevredenheid een cursus
conflictsociologie gegeven, in plaats van de groep te 'coachen' bij hun
'project' over conflicten in een Drentse welzijnsstichting.
Dit moest wel enigszins besmuikt
gedaan worden, want een docent die les gaf, dat strookte nu eenmaal in het
geheel niet met de 'onderwijsfilosofie', waaraan de staf vasthield met een
strakheid alsof het hier ging om een zeer bevindelijke afscheiding van een
gereformeerde gemeente ex artikel 31.
Met feitelijke resultaten had dit
geloof natuurlijk niets te maken. Onderzoek dat aantoonde dat 'ouderwets'
klassikaal onderwijs minstens zo goed scoorde als het ging om
kennisoverdracht, werd door de projectfanaten genegeerd, of verklaard uit
het veronderstelde feit dat het echte projectonderwijs geen kans
had gekregen: niet genoeg geld, verkeerd gemotiveerde docenten,
conservatieve onderwijsorganisaties, studenten die verpest waren door
eerder genoten onderwijs en ga zo maar door. 'Aanloopproblemen', noemen ze
dat nu.
Rein Zunderdorp, van het 'Project
Management Voortgezet Onderwijs', dat de invoering van het 'studiehuis'
begeleidt, verklaarde blij te zijn met de staking. Deze demonstreerde dat
scholieren inderdaad tot zelfstandig denken en doen in staat zijn. En daar
gaat het bij het 'studiehuis' tenslotte om. Volgens deze ietwat
maoïstische redenering van mijn oude studiegenoot, die zijn loopbaan als
staffunctionaris aan de Groningse Sociale Academie begon, moet de
opheffing van het studiehuis het ultieme succes van deze
onderwijshervorming zijn.
Bart Tromp
|