De universiteit als sluitpost
26-08-2000 Het Parool
In de rangorde van universitaire
disciplines staat bestuurskunde, nu andragologie niet meer bestaat,
onderaan. Deze waardering werd vorige week onderstreept door professor
Roel in 't Veld, die aan niet minder dan drie universiteiten dit
merkwaardige vak doceert. In een interview in de Volkskrant riep
hij het onderwijsveld op tot 'burgerlijke ongehoorzaamheid'.
Schooldirecteuren moesten het achterstallig onderhoud van hun scholen
onvervaard laten uitvoeren en de rekening naar de minister in Zoetermeer
sturen.
'Burgerlijke ongehoorzaamheid' is
een belangrijk begrip in de politiek, maar In 't Veld is kennelijk niet op
de hoogte van wat het inhoudt. Van burgerlijke ongehoorzaamheid is sprake
wanneer staatsburgers opzettelijk een wet overtreden, met de bedoeling er
aldus de onrechtvaardigheid van aan te tonen. Bij deze vorm van protest
hoort dat men vervolgens de consequenties - arrestatie, proces, straf -
blijmoedig aanvaardt en niet probeert te ontlopen.
In 't Velds oproep heeft evenveel
met burgerlijke ongehoorzaamheid van doen als harder dan 120 km rijden op
een snelweg. Zijn recept kan er hoogstens toe leiden dat de gevangenissen
straks bijgevuld worden met voor wanbetaling veroordeelde schoolhoofden.
In het interview gaf hij nog een
tweede recept: rijke ouders zouden meer aan het onderwijs kunnen gaan
bijdragen, want hij verwachtte niet dat de overheid dat zou gaan doen. Ook
dat recept was niet erg overtuigend. In 't Veld rekende voor dat de
onderwijsbegroting met een kwart zou moeten stijgen om aan de allerergste
nood een eind te maken. De miljarden die dat jaarlijks kost, zouden ook
alle rijke ouders niet op kunnen brengen.
In een briljante satire nam Felix
Rottenberg vorige week de oproep van de voormalige directeur-generaal van
Onderwijs op de hak. Hij stelde voor In 't Veld aanvoerder te laten worden
van een team PvdA-onderwijskenners, van Jos van Kemenade tot en met
Jacques Wallage, die met een 'J'accuse'-manifest een ommekeer in het
onderwijsbeleid tot stand zouden kunnen brengen.
Briljante satire, want de treurige
toestand van ons onderwijs is immers het resultaat van vijf en twintig
jaar 'constructief onderwijsbeleid', een beleid waarin allerlei
ondoordachte structurele veranderingen werden opgelegd in combinatie met
bezuinigingen. Dat beleid is in hoge mate bedacht en uitgevoerd door
PvdA-onderwijsideologen als de door Rottenberg genoemden.
Zelf bewaar ik nog gemengde
gevoelens aan de tweede dag dat ik in functie was al secretaris van het
opleidingsbestuur en een brief van het ministerie openmaakte, waarin In 't
Veld ons namens de minister meedeelde dat onze afdeling zou worden
opgeheven. Bij ons ging het uiteindelijk niet door, maar in die
bezuinigingsronde slaagde In 't Veld er wel in een volledige
tandarts-opleiding ten koste van ontzaggelijke kapitaalvernietiging te
liquideren. Een aantal jaren later moest er wegens een tekort aan
opleidingsmogelijkheden een nieuwe tandartsenfaculteit opgericht, waarvan
de kosten die van de eerdere opheffing overtroffen.
Als de boodschapper om zulke redenen
niet bijster geloofwaardig is, dan betekent dat niet dat de boodschap niet
juist is. Onderwijs in Nederland is een toonbeeld van publieke armoede. Ik
heb onderwijs wel de sovjetzone van de Nederlandse samenleving genoemd als
het om het 'planmatige' onderwijsbeleid gaat, maar die term klopt ook voor
de gebouwen waarin onderwijs wordt gegeven en hun inrichting en onderhoud.
De klacht van In 't Veld is in
zoverre een typisch PvdA-geluid dat deze alleen wordt geuit met betrekking
tot het lager en middelbaar onderwijs. In de afgelopen twintig jaar hebben
de bezuinigingen echter bovenal het hoger onderwijs getroffen, bij
vergrote verplichtingen ten aanzien van onderzoek en onderwijs. Terwijl
minister Hermans opschept dat hij meer geld voor onderwijs heeft
binnengehaald, zijn de universiteiten nog steeds bezig de bezuinigingen
uit te voeren die zijn voorganger hen oplegde.
De toestand van de universiteit zou
ik willen demonstreren met mijn eigen ervaring als voorzitter van een
facultaire bibliotheekcommissie. Eigenlijk komt het werk van die commissie
er op neer dat wij elk jaar moeten besluiten welke wetenschappelijke
tijdschriften opgezegd moeten worden, omdat er geen geld is het abonnement
voort te zetten. Dit is de logische consequentie van het feit dat het
bibliotheekbudget niet of nauwelijks stijgt, maar de prijzen van boeken en
abonnementen wel. Vooral de laatste, die gaan elk jaar gemiddeld tien
procent omhoog. Aangezien de meeste tijdschriften en boeken engelstalig
zijn, leiden de Nederlandse universiteiten zeer onder de lage koers van de
euro ten opzichte van de dollar. Dit jaar moeten wij veertig abonnementen
opzeggen; over de afgelopen ten jaar waren het gemiddeld twintig per jaar.
Boeken zijn nu ongeveer 90% duurder dan in 1990, tijdschriften gemiddeld
160%, maar het bibliotheek-budget is slechts 45% hoger dan toen. De
elektronische diensten die de bibliotheek inmiddels aanbiedt aan
medewerkers en studenten zijn niet goedkoper dan gedrukte informatie, maar
duurder. In het nieuwe belastingstelsel is de particuliere aanschaf van
wetenschappelijke boeken en tijdschriften niet langer aftrekbaar, zodat de
inviduele onderzoeker het tekortschieten van de universitaire bibliotheek
extra wordt ingepeperd. Literatuur kan wel via interbibliothecair
leenverkeer worden verkregen, maar zo'n aanvraag kost de bibliotheek per
keer zo'n f35,-.
Terwijl het aantal wetenschappelijke
tijdschriften sterk is ggegroeid, kan de bibliotheek er steeds minder
aanschaffen. Het is maar één voorbeeld van de wijze waarop twintig jaar
bezuinigen onherstelbare schade dreigt aan te richten in de Nederlandse
universiteiten. Maar in de politiek wordt de universiteit al jaren als
sluitpost beschouwd.
|