Naar Bart's homepage

Bart Tromp's Website

Naar de homepage van de Haagse PvdA

 



Verziende onderwijspolitiek
Het Parool, 16 maart 2006

Waarom voerden bewindslieden telkens grootscheepse vernieuwingen in, zonder dat daar enige solide basis voor bestond?

De aanhangers van dit kabinet vinden dat de laatste jaren belangrijke maatschappelijke hervormingen zijn doorgevoerd, die maken dat Nederland minder kwetsbaar en economisch dynamischer wordt. Dit is nodig om niet de aansluiting te missen met een wereldeconomie die steeds mondialer van karakter wordt. Daarom moeten uitkeringsrechten korter duren en sociale voorzieningen schraler worden. Ook marktwerking in de gezondheidszorgverzekering helpt Nederland vooruit in de wereld, menen de voorstanders, al slagen zij er niet in uit te leggen waarom.

Wat is echter het belangrijkste goed als het gaat om de positie van Nederland in de wereld? Dat is een goed opgeleide en hooggeschoolde bevolking. Goed onderwijs is de basis van onze welvaart. Gelukkig beschikken wij op dit punt over vooruitziende politici. In de negentiende eeuw richtten zij een nieuw schooltype op, de hogere burger school. Met het gymnasium, ook aangepast aan de eisen van de tijd, heeft die opleiding onder meer een ongeëvenaard aantal Nederlandse Nobelprijswinnaars opgeleverd.

Ook in het laatste kwart van de vorige eeuw is er vanuit de politiek van alles gedaan om het Nederlandse onderwijs te hervormen. Met de Mammoetwet (1968) begon de periode van het ‘constructief onderwijsbeleid’. In zijn pas verschenen boek Drammen dreigen draaien (Amsterdam, Mets & Schilt) beperkt Leo Prick zich tot de laatste twintig jaar, en die zijn erg genoeg. 

Volgens Prick zijn opeenvolgende ministers van Onderwijs zó verziend geweest, dat ze geen enkel oog hadden voor de feitelijke problemen in het Nederlandse lager en middelbaar onderwijs. Deze verziendheid heeft de ene structurele vernieuwing na de andere opgeleverd: middenschool (die er niet kwam), basisvorming, schaalvergroting, studiehuis, vmbo – om de voornaamste te noemen. Al die vernieuwingen zijn, kort en goed, mislukt. Dat is op zich geen nieuws. 

Nieuw is wel de reconstructie die Prick geeft van de parlementaire besluitvorming rond al deze vernieuwingen. Die is ronduit onthutsend en bevestigt de indruk die ik al jaren geleden opdeed: dat de meeste politieke partijen onderwijs niet van belang vinden en dit terrein overlaten aan bewindslieden met warrige ideeën en te veel dadendrang, die dan ‘gecontroleerd’ worden door volksvertegenwoordigers die het al 
van tevoren eens zijn met het nieuwe beleid. Dat Prick op basis van zijn onderzoek geen hoge dunk heeft van de kwaliteit van veel 
zogenaamde ‘onderwijsspecialisten’ in de Tweede Kamer, is volkomen begrijpelijk.

De origineelste bevinding van Prick is dat het streven van opeenvolgende PvdA-bewindslieden naar een middenschool in één of andere vorm niet zozeer is mislukt als wel volkomen averechts heeft gewerkt. De centrale gedachte achter de middenschool is dat kinderen niet al op hun elfde of twaalfde jaar worden voorbestemd voor een bepaald leertraject en daarmee een bepaalde toekomst. Het zou beter zijn die keuze uit te stellen tot ze hun talenten in een gemeenschappelijke school meer hebben kunnen ontwikkelen. 

Zo’n middenschool bestond echter al. Dertig tot veertig procent van de leerlingen ging vroeger naar de mavo en kon daarna, afhankelijk van zijn prestaties, doorstromen naar havo of vwo. Met de vorming van het voorbereidend middelbaar beroeps onderwijs (vmbo) is de mavo afgeschaft. Daardoor is een formidabele tweedeling tot stand gekomen. Vanuit het vmbo is het immers vrijwel onmogelijk nog naar de havo door te stromen. Het verbod op ‘inefficiënte leerwegen’ (ofwel studies ‘stapelen’, een vondst van minister Ritzen) heeft deze tweedeling in het onderwijs verder versterkt. 

Toch blijft het onbegrijpelijk. Waarom voerden vérziende bewindslieden – de ergste inderdaad allemaal van de PvdA – keer op keer grootscheepse en algemene vernieuwingen in, zonder dat daar ook maar enige solide basis voor bestond? Waarom nooit eerst getracht op kleine schaal ervaringen op te doen? Waarom zulke vernieuwingen ingevoerd, als – nota bene op verzoek van het ministerie verricht – onderzoek aantoonde dat ze zouden mislukken, zoals bijvoorbeeld bij het studiehuis? En waarom heeft de Tweede Kamer onveranderlijk in grote meerderheid met al die vernieuwingen ingestemd?

Een nieuwe regering zou van de verbetering – niet vernieuwing! – van het onderwijs een centrale doelstelling moeten maken. Dit is een project vergelijkbaar met de Deltawerken, maar wel veel moeilijker. 
Onderwijs is echter te belangrijk om het nog langer over te laten aan ‘onderwijsspecialisten’.

Bart Tromp

 
    25-03-06