Naar Bart's homepage

Bart Tromp's Website

Naar de homepage van de Haagse PvdA

 


Kenniseconomie?
Elsevier 26-03-2005

Iedereen, en vooral dit kabinet, heeft de mond vol over Nederland als een kenniseconomie. Achter dit zonderlinge begrip gaat een simpele gedachte schuil. Om het welvaartspeil van Nederland te behouden, is het noodzakelijk dat economische activiteiten gebaseerd worden op nieuwe kennis en technologie, omdat de bestaande in steeds meer delen van wereld ingang heeft gevonden. 

Geen nieuw inzicht: in de zeventiende eeuw kon de Republiek het centrum van de wereldeconomie worden onder andere dankzij de constructie van het fluitschip, dat veel efficiënter vracht kon vervoeren dan alle andere bestaande scheepstypen.

Het vanzelfsprekende fundament van zo’n ‘kenniseconomie’ is niets anders dan een superieur stelsel van onderwijs en onderzoek. Wie Nederland op deze twee dimensies de maat neemt, ziet echter een huiveringwekkend landschap. Het Nederlandse bedrijfsleven doet minder en minder aan research&development. Dit heeft te maken met een bedrijfscultuur waarin de top van het bedrijfsleven gerekruteerd wordt uit veredelde boekhouders die niets afweten van productieprocessen, en waarin kwartaalcijfers als hoogste waarheid gelden. 

Dit bedrijfsleven probeert het eigen tekortschieten, krachtig geholpen door rechtse partijen, te verhalen op de universiteiten, die onder druk worden gezet om op kosten van de belastingbetalers onmiddellijk bruikbare vindingen voor ondernemingen voort te brengen. Zulks gaat onvermijdelijk ten koste van echt en fundamenteel wetenschappelijk onderzoek, terwijl het universitaire onderzoeksbudget al jaren daalt.

De basis van het algemeen onderwijs is, inderdaad, het basisonderwijs, zoals de lagere school tegenwoordig heet. Hier zou iedereen lezen, rekenen en schrijven moet leren. Dat gebeurt onvoldoende. Een paar weken geleden kwam een onderzoek in de openbaarheid waaruit bleek dat veel Pabo’s, de opleidingsinstituten voor onderwijzers, ondermaatse leerkrachten afleveren, die zelf onvoldoende kunnen rekenen en schrijven. ‘Ze kunnen nog altijd een cursus spellen doen als zij het examen hebben gehaald’, was het commentaar van één pabo-directeur. 

Het vak van onderwijzer is één van de lastigste, maar ook belangrijkste in de samenleving. Maar het wordt slecht betaald, het geniet – anders dan vroeger – weinig aanzien en de opleiding schiet tekort., terwijl door maatschappelijke ontwikkelingen als televisie, werkende moeders, minderheden, geweld en kleine criminaliteit en nog zo wat , onderwijzers en onderwijzeressen veel zwaarder belast zijn. Ook in de door premier Balkenende aangezwengelde discussie over normen en waarden ziet men dat een steeds groter beroep op het onderwijs wordt gedaan om te compenseren waarin de rest van de maatschappij tekort schiet.

Het voortgezet onderwijs geeft een al even rooskleurig beeld te zien, of het nu gaat om het VMBO, het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, in de plaats gekomen van MAVO en LBO, die op hun beurt de ULO en de ambachtschool vervangen hadden; dan wel het VWO, het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, en alles wat daar tussenin ligt. Vanaf de invoering van de Mammoetwet in 1968 is sprake geweest van een eindeloze reeks ‘hervormingen’ die niet aantoonbaar tot verbetering van het onderwijs hebben bijgedragen. Wel tot een dwaze bureaucratisering en systematisch denigreren van vakinhoudelijke kennis tot wat volgens de snel wisselende mode ‘didactisch verantwoord’ heette te zijn. Op het niveau van het technisch onderwijs heeft dat geresulteerd in verlies aan ambachtelijkheid, op dat van het vwo zowel tot de neergang van talenkennis en taalbeheersing als tot marginalisering van natuurwetenschappelijke kennis. 

Als gevolg daarvan arriveren op HBO-instellingen en universiteiten jongeren wie het vaak aan elementaire kennis en vaardigheden ontbreekt. Maar deze instellingen kennen hun eigen kenniseconomische tranendal. In de laatste kwarteeuw hebben alle regeringen, van welke politieke kleur ook, op het wetenschappelijk onderwijs bezuinigd, zodat de uitgaven per student nu – in reële termen – de helft bedragen van die aan het begin van de jaren tachtig. Dat is echter maar het halve verhaal.

Van die overgebleven helft is een steeds groter deel besteed aan door het ministerie van Onderwijs verordonneerde ambtenarij, zodat de omvang van de wetenschappelijke staven al sinds jaar en dag kleiner is dan die van bureaucraten die geen aanwijsbare bijdrage aan onderwijs en onderzoek leveren, hoogstens een negatieve. Tegelijkertijd is de werkdruk van die staf (welke tien jaar geleden bij een officiële werkweek van 38,5 uur per week gemiddeld al 60 uur werkte) alleen maar toegenomen. Een pervers systeem, dat de financiering van universiteiten afhankelijk stelt van het aantal geslaagde studenten, garandeert de daling van de kwaliteit van de afgestudeerden.

Politici die het over ‘kenniseconomie’ hebben verdienen daarom een hol gelach. Ministers en staatssecretarissen die dat doen, pek en veren.

Bart Tromp

 
    02-04-05