Werkgroep Stad

Doorzetten en loslaten: meer echte burgerparticipatie in de wijken

Do 28 Jul 2011 - Uit de afdeling

Eind juni presenteerde de visitatiecommissie wijkenaanpak de resultaten van een bezoek aan de verschillende krachtwijken. Ondergetekende was daarbij mede namens de werkgroep stad aanwezig. Een commissie van deskundigen onder leiding van voorzitters Deetman, Van der Lans en Scherpenisse evalueerde de voortgang bij de wijkenaanpak zoals deze in 2007 is opgestart en tot 2017 zal duren. In twee rapporten werden de resultaten en evaluaties beschreven. De hoofdconclusie: ‘doorzetten en loslaten’, daarna niet meer kiezen voor een dergelijke aanpak. Explicieter was de toelichting bij het NICIS te Den Haag op vrijdag 1 juli door een van de voorzitters, Jos van der Lans.

Volgens Van der Lans is de kern van het rapport dat de ‘civil society’ nauwelijks tot wasdom kan komen door de dikke bestuurlijke leemlaag vol verschillende ambities. Hij bepleit meer focus in allerlei activiteiten. Veel minder sturen maar vooral faciliteren en stimuleren. Er zijn te veel ambities waarvan niets terechtkomt. Vernieuwing moet vanuit de wijk komen en niet vanuit het stadhuis. De bestuurlijke leemlaag smoort te veel initiatieven en maakt deze subsidieafhankelijk. De ‘oude cultuur van participatie’ is eerder een belemmering dan een stimulans van deze civil society. Daarbij wijst Van der Lans op het societydebat dat op het moment in Groot-Brittannië gaande is. De commissie betoogt verder dat ze nog maar weinig organisaties is tegengekomen die in dit proces de eigen institutionele belangen echt ondergeschikt hebben willen maken aan het probleem in de wijk dat opgelost moet worden en effectieve organisatievormen die daarbij horen. Voor wat betreft de burgerparticipatie, de hoeksteen van de civil society, stelt men dat de toverformule nog nergens is gevonden. Verder geeft de commissie aan dat met bijvoorbeeld de inzet van bewoners in de wijkenaanpak en het creëren van condities voor meer civil society, het verplaatsen van de uitvoeringsmacht naar wijkprofessionals, of het verankeren van beproefde aanpakken een beweging is ingezet die perspectief lijkt te hebben. Een goede ontwikkeling, maar er is nog een lange weg van loslaten door instituties te gaan.

Successen zijn onder meer de bedrijfsinvesteringzone aan de Haagse Paul Krugerlaan, die wordt gezien als een erg goed en positief voorbeeld. Ook de bedrijfsinvesteringzone aan de Keizerstraat in Scheveningen is een mooie en geslaagde aanzet tot stedelijke vernieuwing door burgers, een stap op weg naar een civil society. Een van de belangrijkste aanbevelingen is de creatie van een totaal nieuwe functie: de ‘wijkcoach’. Het nut van deze wijkcoach wordt uitvoerig bepleit door Van der Lans, zoals die in Enschede en Leeuwarden al functioneert. In Rotterdam is er de ‘pleinmanager’ en Amsterdam de ‘participatiemanager’. Er moet vooral naar nieuwe werkvormen van professionals in de wijken worden gezocht. Zo vindt men veel meer aansluiting in de specifieke cultuur van de verschillende wijken. Immers, de verschillen tussen de wijken zijn erg groot. Tot zover het algemene gedeelte over de wijkenaanpak. Voor wat betreft de grote steden liggen de zaken anders dan in de kleine wijkjes in het land.

Den Haag bijvoorbeeld. De wijkenaanpak is hier minder geslaagd, omdat de vier aangewezen krachtwijken geen wijken zijn. Bij elkaar gaat het om een middelgrote stad met goede en slechte stukken. Een geheel andere strategie zou hier passend zijn geweest. Den Haag Zuidwest had na de oorlog al 110.000 inwoners! In de oorspronkelijke betekenis van Clarence Perry (uit de jaren dertig) heeft een wijk circa 8.000 inwoners en is deze gecentreerd rond één school of kerk. In Nederland, en vooral Den Haag Zuidwest, werd dat direct na de oorlog door de verzuiling tot 35.000 à 40.000 inwoners per deelwijk opgehoogd (Moerwijk, Morgenstond, Bouwlust, Vrederust enzovoort). Alle zuilen moesten naast elkaar in één wijk. Nu de zuilen zijn gevallen, zijn wij opgezadeld met megawijken, waarbij de identiteit van de wijk ver is te zoeken. Ook zijn de verschillende tussen de wijken nogal divers. De Schilderswijk, Rivierenwijk/Stationsbuurt waren het gevolg van proto-suburbanisatie in de tweede helft van de negentiende eeuw, de wilde groei en revolutiebouw. Transvaal was het product van een bouwgrondmaatschappij met aanpassingen van de eerste stedenbouwer Lindo. Kortom, Den Haag heeft een stedelijke zone met grote verscheidenheid en een enorme bevolking met een geheel verschillende problematiek. De koppeling van wijken aan sociale netwerken was al langer omstreden. Al vanaf de oorlog was daar kritiek op. In Den Haag door de grote volkshuisvester Bakker Schut en de stedenbouwarchitect Dudok, later ook door sociologen zoals Van Dooren en Bart Tromp.

De visitatiecommissie merkt op over de schaal van deze wijken: ‘De commissie kwam in de loop van haar bezoeken aan de verschillende wijken tot de constatering dat er een samenhang bestaat tussen de zichtbaarheid van het beleid in de wijk en de schaal van de wijk. Naarmate de wijk samenvalt met een stadsdeel dat door zijn geografische ligging (tussen infrastructuur bijvoorbeeld) als een eenheid wordt ervaren, of dat overzichtelijk van omvang is, weten instanties elkaar makkelijker te vinden, en lijkt de wijkenaanpak een grotere kans van slagen te hebben. Naarmate de wijken groter zijn, minder natuurlijke eenheden zijn, lijkt het moeilijker om het beleid ook echt te doen landen en voor bewoners zichtbaar te maken. Die situatie lijkt zich met name voor te doen in de grote steden. De meest innovatieve wijken waren de wijken die beperkt waren in schaal en daarmee betekenisvol en behapbaar voor bewoners en professionals. Met andere woorden: een effectieve wijkenaanpak lijkt gekoppeld te zijn aan een schaal.’ (Deel 1, blz.18) Vreemd genoeg is dit een conclusie die men bij het begin van de operatie al had kunnen bedenken. Het probleem schuilt in het concept wijkenaanpak. Een dergelijke aanpak kan niet zonder meer op een stedelijke zone met die van de omvang van Den Haag Zuidwest-Transvaal-Schilderswijk-Stationsbuurt-Rivierenbuurt worden toegepast.

Over de hooggestemde ambities, de vijf pijlers waarop in Den Haag wordt gestuurd, zegt de commissie: ‘De visitatiecommissie heeft begrip voor deze brede aanvliegroute. De vraag is natuurlijk of, als gevolg van koerswijziging van het rijksbeleid en als gevolg van de economische recessie de eerder ingezette ambitie gehandhaafd kan worden. Bij forse financiële terugval lijkt het onmogelijk om de brede aanpak onverkort voort te zetten. Het lijkt onafwendbaar dat er een traject moet worden ingezet waarin bepaalde elementen van de aanpak worden heroverwogen.’ (Deel 2, blz.41) Kortom, het bestuur moet keuzes maken.

Wellicht is het een idee om in de Haagse situatie de stedelijke zone op te delen in buurten van circa 8.000 tot 10.000 inwoners en deze meer te profileren als een eigen buurt met een buurtcoach, een bedrijfsinvesteringzone, een brede school, een veilige en schone omgeving. Voor de echte probleemgevallen zou eerder gedacht kunnen worden aan een hotspotbeleid dan aan een brede wijkenaanpak. Helaas gaat de commissie nauwelijks in op de gevolgen van de afbraak van woningen. Het zou de wijken erg helpen als men direct stopt met het afbreken van de bestaande en betaalbare woningvoorraad. Men kan deze woningen beter renoveren en verbeteren. Wellicht zou men meer aan kluswoningen voor starters moeten denken. Daarnaast is dit ook een duurzame omgang met grondstoffen en de dingen die we hebben. Dit is de enige woningvoorraad die nog binnen bereik van starters ligt. En starters brengen kinderen: het leven en succes van de stad.

Leo Oorschot