werkgroep ouderenbeleid

Waar kiezen we voor in de Zorg: “Beter of Goedkoper”

Do 29 Okt 2009 - Eric Martha

Verslag van het SOC-café (Stedelijke Ouderen Commissie) van 7 oktober 2009 door Eric Martha Werkgroep Ouderenbeleid.

De discussie wordt voorafgegaan door drie inleiders;
1. mw Loes Hulsebosch van Hulsebosch advies; adviseur Woonservice-wijken;
2. dhr B.. Lammers, verpleegkundige
3. dhr G.J. van Otterloo, werkzaam bij de Haagse Wijk- en Woonzorg (H.W.W.)
invalshoek: grootschalige zorg.

De dagvoorzitter dhr. J Booij opent de bijeenkomst met een hartelijk woord van welkom aan alle aanwezigen.

Als eerste spreker neemt Loes Hulsebosch het woord. Ze stelt dat alle gemeenten met Zorg bezig zijn, maar een adequate uitvoering van zorgtaken ontbreekt. Ze pleit voor een integrale aanpak naar het voorbeeld van het project “Woonservicewijk Escamp”. Het resultaat van ketensamenwerking is meestal een betere en goedkopere Zorg.

Kenmerken van ketensamenwerking zijn:
-Kwaliteit op wijkniveau;
-De bewoners beleven een sociale leefomgeving, waar het veilig toeven is, en waarin de mensen aan elkaar zorg bieden als het nodig is;
-De bewoners hebben regelmatig contact met elkaar om samen te komen tot kwaliteitsverbetering (innovatie) van de zorg in hun leefomgeving;
-Hard-zachte aanpak (fysiek-sociaal);

-De Organisaties in Escamp opereren in dezelfde markt van Wonen, Welzijn en Zorg, waar ze ook in samenwerken. Er wordt samen geïnvesteerd. Er wordt over de belangen heengestapt en gepraat vanuit de gedachtegang van de inwoners, kwaliteit en zorg.

-Er is geen sprake van markt verdelen, of een eigen stuk van de markt nemen.

-De Organisaties spannen zich in om betere diensten te ontwikkelen. Er zijn nooit problemen gerezen op het gebied van concurreren. Ze zetten hun eigen diensten uit met hun eigen prijs en kwaliteit, met keuzevrijheid voor de bewoners.

-De wijkbewoners proberen eerst op basis van onderlinge samenwerking zelf de problemen op te lossen, soms zijn voorzieningen of professionele hulp nodig. Professionele hulp, als het nodig is, is steeds als terugvaloptie aanwezig, zodat ook gehandicapten en mensen met psychiatrische aandoeningen gewoon in de wijk kunnen blijven wonen.

-Aan jongeren zonder levensdoel wordt perspectief geboden op scholing en werk.

-Buurtmedewerkers zijn, buiten het normale werkproces, zichtbaar op straat aanwezig om hulp te bieden als het nodig is.

-Ontmoetingsruimte is voor iedereen beschikbaar, ook voor oudere migranten, die hun verhalen kwijt willen aan medewijkbewoners met dezelfde cultuur/achtergrond. In deze openbare ruimte worden ook sociale programma’s gepresenteerd in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). WMO begint bij burgerschap, waardoor collectieve voorzieningen hopelijk minder nodig zijn.

Als het gaat over Zorg treden twee kerngedachten naar voren:
1e Hoe kijk je naar Zorg?. Zorg is geen product, maar mentaliteit. Luister je naar je lichaam, kijk je naar je omgeving?; zorg je goed voor je dieren ? Het gaat om zorgmentaliteit; je inzetten voor je woonomgeving via actief burgerschap, educatie enz.

2e Kwaliteit van het leven. Kijken naar mensen in z’n geheel, niet opknippen in afzonderlijke voorzieningen.
“Vertrouwd wonen” in “lerende wijken” zijn de noemers/peilers, waaronder in Escamp de wijken worden opgewaardeerd. Een en ander betekent, dat de bewoners goed weten wie er in de wijk wonen. Ze werken samen met deskundigen in het kader van “vertrouwd wonen”, en ontplooien initiatieven om de kwaliteit van leven en wonen in de wijk aanmerkelijk te verbeteren/op een hoger plan te brengen. Jong en oud kennen en verdragen elkaar.

Loes Hulsebosch tot slot.
Om de Zorg beter en goedkoop te maken, dient een aantal uitgangspunten in acht te worden genomen:
-Kwaliteit van leven van de mens dient centraal te staan;
-Men dient uit te gaan van wederkerigheid tussen de wijkbewoners, de zorgvragers en de zorgaanbieders;
-Zorg consequent benaderen op basis van een goed ontwikkelde visie;
-Systeem van de Zorg en leefwereld van de zorgvrager met elkaar programmatisch verbinden;
-De Zorg mag niet verworden tot een projectmachine.

Als tweede spreker treedt op Bart Lammers, van beroep verpleegkundige. Hij start met een verhaal over tante Josje. Einde van het verhaal: “Tante Josje heeft heel wat meegemaakt, maar nu gaat het goed met tante Josje”. Spreker benadrukt, dat het de afgelopen 15 jaar bergafwaarts is gegaan met de Zorgverlening. Men is lange tijd bezig geweest met onderdelen; hoofd, hand en hart, apart benaderd. De Zorg was niet toegespitst op de mens in zijn geheel, maar op onderdelen van het menselijk lichaam. Zorgverleners keken meer naar wat mensen niet kunnen, in plaats van naar wat mensen wel kunnen. Het werkt effectiever om alvorens te handelen eerst goed naar de zorgvrager te (blijven) luisteren. Volgens Lammers dient de Zorg op een andere manier georganiseerd te worden; kleinschaliger, als Buurtzorg, zodanig dat een vorm van samenwerking ontstaat tussen Buurtzorg en Buurtdiensten enerzijds en de wijkbewoners anderszijds. Op zich is de WMO een horizontale Wet, vindt Lammers. Dit betekent, volgens spreker, dat zorgvragers in hun eigen woonomgeving geholpen dienen te worden. Ter illustratie, geeft Lammers het volgende voorbeeld.

“Een jongeman uit de buurt ging regelmatig naar een patatkraam om te eten of eten te halen. Hij hield regelmatig een praatje met de uitbater van de kraam, zodat de uitbater hem een beetje heeft leren kennen. Een hulpverlener kwam toevallig ’n keer bij die uitbater langs. Ze raakten met elkaar in gesprek, en toevallig kwam die bewuste jongeman ook ter sprake. Uit het gesprek kwam de hulpverlener er al gauw achter dat die jongeman snel hulp nodig had, zowel lichamelijk, door het regelmatig eenzijdig eten uit de patatkraam, als geestelijk”. Niet lang daarna is de jongeman door toedoen van die zorgverlener opgenomen in het Zorgtraject. Nu gaat het veel beter met hem. De jongeman is geholpen door een typisch geval van kleinschaligheid in de Zorg in een woongebied, waar de wijkbewoners bereid zijn tot onderlinge attentie en zorgzaamheid, zoals eerder door Loes Hulsebosch verwoordt.

Lammers benadrukt, wellicht ten overvloede, dat het bezuinigingseffect van de AWBZ. de Zorg in negatieve zin heeft beïnvloed. Een van de grootste nadelen van de WMO is, dat alles geconcentreerd is op huishoudelijke zorg. Spreker vindt dat de Zorg moet worden toegewezen aan de Buurtdiensten. De zorgverlener moet de dagzorg samen of in overleg met de zorgvrager plannen. Deze handelwijze vergroot de persoonlijke assistentie en betrokkenheid bij alle partijen, met als gevolg; een goedkopere werkwijze met een grotere klanttevredenheid, vindt Lammers.

De laatste spreker, voor de discussie met de zaal, is Gerrit-Jan van Otterloo.
Spreker begint met de opmerking, dat Thuis- en Woonzorg twee gescheiden grootheden waren. Ze deden niets samen. Samenwerken was goedkoper. Bovendien had men geen goed zicht over gebouwen in relatie tot mensen/bewoners.


Bij de inwerkingtreding van de WMO ontstond het misverstand dat mantelzorg niet meer bestond. Men keek ook niet verder wat er in de woonbuurt leefde. Het gevolg was eenzaamheid bij de bewoners. Wonen in een buurt zonder sociale contacten. Volgens spreker had integratie van Thuiszorg en Woonzorg een hoge prioriteit moeten hebben. Op die manier kon men meer grip krijgen op kleine dingen, die in de wijk gebeuren, maar die toch erg belangrijk kunnen zijn. De kracht van Woonzorg en Thuiszorg ligt in het onderlinge contact met elkaar. Het contact moet in ieder geval beter kunnen, maar als de Zorg daardoor ook goedkoper wordt is, volgens spreker, nog maar de vraag. De vraag is, wat is het je waard? Mensen, die langer thuis wonen, bijvoorbeeld, zijn niet per definitie goedkoper dan andere woonsituaties. Spreker oppert de gedachte om buurtbewoners in te zetten om mantelzorgers te ontlasten. Mensen thuis te laten wonen is een kwestie van prioriteit. Zorg is kijken vooral naar je handen. De indicatie mag niet heilig zijn.

Meningen van de sprekers:
-Loes Hulseboch vindt Buurtzorg en Buurtdiensten een fantastisch idee.
-Bart Lammers: Iedereen moet meedoen om de Zorg een groot succes te maken. Professionals, waaronder wijkverpleegkundigen, moeten aan het werk. In ieder geval geen megabedrijf in de Zorg, maar wijkgericht werken is het niet alleen. Er moet meer gebeuren in de Zorg.
-Gerrit-Jan van Otterloo: Iedereen moet buurtgericht denken. Ook de grote Organisaties, en de teams, die in de buurt werken. Deze teams staan dicht bij de wijkbewoners. Door constant hun “voelhoorns” uit te steken zullen ze via de wijkbewoners er achter kunnen komen wat er in wijkomgeving leeft en/of wat mis dreigt te gaan. Ze kunnen dan tijdig in preventieve zin ingrijpen. Vertrouwen is hierbij het toverwoord.

De belangrijkste vragen vanuit de zaal aan de sprekers;
Zaal: Om de Zorg “beter of goedkoper” te maken is een kentering van denken nodig, die bij de gemeente nog niet zichtbaar aanwezig is. Hoe bereik je die omslag. Belevingsgerichte Zorg is nog niet tot de ambtenaren doorgedrongen.

Loes Hulsebosch: Inderdaad. De kanteling is nog niet gemaakt. De ambtenaren zitten nog steeds vastgeroest in het oude denkpatroon, hetgeen inhoudt dat ze bij de WMO te juridisch-technisch denken. Het is een kwestie van kanteling van het professionele denken. Intensieve communicatie met cliënten op basis van gelijkwaardigheid, zouden de ambtenaren als hulpmiddel kunnen gebruiken om hun oude denktrant te doen kantelen.

Loes benadrukt, dat niet alleen bij ambtenaren, maar ook bij iedereen, die met Zorg te maken heeft, een kentering van denken moet plaatsvinden.

Zaal: De gemeenten krijgen geld voor de WMO. Op welke basis is dit geld bepaald.? Moet het geld per se aan de WMO worden besteed? Of is het bedrag geoormerkt?

Van Otterloo;
Gemeenten krijgen het geld van het Rijk via het Gemeentefonds. Er is een verdeelsleutel gemaakt om het totaalbedrag onder de gemeenten te verdelen.
In principe is het geld uiteraard bestemd voor de bekostiging van de uitgaven in het kader van de uitvoering van de WMO. Als blijkt dat gemeenten op een of andere manier aan het eind van de begrotingsperiode geld overhouden, zijn ze, binnen de smalle marges van de begrotingsvoorschriften, enigszins vrij (gemeentelijke autonomie) om het overgehouden bedrag voor andere doeleinden te besteden.

Zaal: Wordt het niet hoog tijd dat het systeem van “Aanbestedingen”, “op de schop”
gaat. Veel bureaucratie en daardoor veel te duur.

Bart Lammers;
-Het huidige systeem van “Aanbestedingen” in het kader van de WMO moet nodig veranderen. Een oplossing is, dat de Organisaties onderling de aanbestedingen zelf regelen. Zodoende wordt het minder bureaucratisch en op zich al goedkoper. De marktwerking moet uit de Zorg. De Europese aanbesteding moet ook vervallen.
-Enige handreikingen ter verbetering van de Zorg;
In de kennis en kunde van zorgmedewerkers moet meer geïnvesteerd worden door o.a. meer trainingen en scholing;
-Tevredenheidmeting bij cliënten moet geregeld worden;
Relatie tussen klant en professional verder verbeteren/optimaliseren

Van Otterloo;
Een alternatief voor het huidige systeem van Aanbestingen is het inschrijven op pakketten, niet alleen op HVl en HV2. Gemeenten denken hierbij vooral in regels en percentages bij de uitvoeringskosten. Dit moet snel veranderen. De bureaucratie moet drastisch verminderd worden.

Zaal:
Mantelzorg staat onder druk. Als mensen verhuizen en het overleg met de gemeente loopt spaak, dan zitten de cliënten opeens zonder zorg.

Van Otterloo:
De oplossing ligt in het organiseren van mantelzorg in de directe omgeving. Er mankeert ook veel aan een adequaat woningtoewijzingsbeleid. Dit moet drastisch veranderen/snel verbeterd worden.

De dagvoorzitter sluit de bijeenkomst met een woord van dank aan iedereen voor diens inbreng.

Den Haag, 27 oktober 2009.