Uit de afdeling

'Het onverwoestbare programma van Joop den Uyl, twee dingen goed begrijpen'

Vr 21 Aug 2009 - Ron van der Veer
'Het onverwoestbare programma van Joop den Uyl, twee dingen goed begrijpen'

'Het onverwoestbare programma van Joop den Uyl, twee dingen goed begrijpen' (bijdrage van Frans Becker en Paul Kalma in S&D van november/december 2007)

Becker en Kalma schreven een warm artikel over Joop den Uyl dat zeker de moeite van het lezen waard is. Ze concentreren zich niet zozeer op zijn kabinet, maar op de periode die daaraan vooraf gaat ('de lange jaren zestig') en het toenmalige denken van Den Uyl over de sociaaldemocratie. De auteurs geven tot slot aan waarom dat denken juist nu nog relevant is.

Den Uyl constateerde dat met de opkomst van de sociale verzorgingsstaat de doelen uit de naoorlogse programma's van de sociaaldemocraten ('bestaanszekerheid bij een behoorlijk levenspeil voor iedereen') op hoofdlijnen waren gehaald. Hij zoekt nieuwe grondslagen voor de sociaaldemocratie om te voorkomen dat deze ten onder gaat aan de vervulling van de eigen idealen. De welvaartstaat is aldus niet alleen de gelukkige uitkomst van een historische ontwikkeling, maar is ook 'een krachtig bleekmiddel voor het rode vaandel'.

De context waarbinnen Den Uyl zijn denken in de jaren vijftig en zestig ontwikkelde schets ik hier kortheidshalve met wat steekwoorden: totalitaire communistische dreiging, pragmatisch reformisme, economische en welvaartsgroei, opkomst verzorgingsstaat, geen 'Doorbraak' na de oorlog en dus een aanhoudende noodzaak politieke coalities te vormen.

Het programma van Den Uyl wordt door Becker en Kalma geconcentreerd rond vier begrippen:
• Vrijheid (er zijn juist te weinig individualisten: mensen die het eigen leven volgens eigen keuzen vorm geven, tegen de verdrukking in van commercialisering, gevestigde belangen en de macht der gewoonte), waarbij juist een sterke overheid noodzakelijk is: de wet is de moeder van de vrijheid.
• Gelijkwaardigheid (ontplooiing veronderstelt de notie van gelijkwaardigheid en ongelijkheid in bezit en macht belemmert de opwaartse mobiliteit)
• Democratisering (waar macht wordt uitgeoefend moet die macht gecontroleerd worden, dat geldt in het openbaar bestuur, maar evenzeer in bedrijven, waar het kapitaal niet hoeft te worden afgeschaft, maar wel moet worden ontdaan van zijn dominantie. Burgers moeten door onderwijs en scholing in staat worden gesteld te participeren)
• Kwaliteit van het bestaan (private rijkdom versus publieke armoede; groei van het netto nationaal inkomen is op zichzelf geen waarborg voor verbetering van welzijn; ongelijkheid en onvrijheid kunnen en moeten worden bestreden met overheidsvoorzieningen. ).

Groot voorbeeld van Den Uyl, de econoom Kenneth Galbraith, formuleert het als volgt: 'increased production is not the final test of social achievement.'

Den Uyl deed geen afstand van de markt en van de groei als zodanig. Wat Den Uyl bepleitte was een beperking van de groei van de particuliere bestedingen en een verruiming van de publieke voorzieningen. De winstbelovende koopkrachtige vraag zou niet het enige of dominante leidssnoer moeten zijn bij het bepalen van de richting van de investeringen en de productie. Dat leidssnoer zou moeten bestaan uit een combinatie van overwegingen, zoals volledige werkgelegenheid, adequate publieke voorzieningen en een minder ongelijke inkomensverdeling.
En om dat te bewerkstelligen zou de gemeenschap meer dan tot dan toe moeten meebeslissen over de aanwending van de productiemiddelen - grond, kapitaal en arbeid - en daarmee over wat, waar en hoe geproduceerd zou worden.

De politieke vorm waarin de maatschappelijke opgaven van Den Uyl zich voordoen is in de beslissingen over de bestedingen van de welvaartsgroei.
Daarbij zijn compromissen noodzakelijk, maar die smalle marges en kleine stappen vragen juist om een heldere visie ten aanzien van de algemene richting. Het effectief benutten van die smalle marges betekent niet alleen afremmen van overspannen verwachtingen en maakbaarheidgeloof, maar het impliceert ook de kunst van het aanjagen: maatschappelijke macht mobiliseren en zicht hebben op de belangen en tradities die aan hervormingen in de weg staan. Dat zicht vraagt om ankers in de beleidswereld ('Den Haag'), maar ook om ankers in de samenleving.

Dat alles met zakelijkheid en hartstocht: 'Niets dodelijker voor een linkse partij dan consolidatie van het verkregene, zonder zich af te zetten voor de toekomst. In dat afzetten ligt het bestaansrecht van een progressieve partij – voor de rest zorgen heus de conservatieven wel.'

De auteurs hebben voelbaar heimwee naar een meer visionaire en bevlogen (linkse) politiek. Maar een iets kritischer beschouwing zou mogelijk bevredigender zijn geweest. Wat zag Den Uyl verkeerd? Hoe beoordelen we zijn gedachten 20 jaar na zijn dood? Hoe internationaal dacht hij?
Dat er vanuit de liberale en conservatieve hoek weinig applaus voor hem weerklonk, is verklaarbaar. Maar hoe beoordelen we de (soms felle en emotionele) christendemocratische kritiek (toen en nu) op de persoon Den Uyl en zijn kabinet?

Het voorliggende artikel smaakt dus naar meer. Maar voorlopig is dit een (terechte en aansprekende) oproep Den Uyl meer te eren als progressief denker; een pleidooi vooral ook om weer een visie te formuleren op de richting van de sociaaldemocratie, een waarschuwing tegen een te onbegrensde markteconomie en een benadrukking van het belang van een sterke staat ten behoeve van goede publieke voorzieningen, waarvan de uiteindelijke kwaliteit tot op grote hoogte wordt bepaald door de kwaliteit van de professionele uitvoerders en de ruimte (fundamentele democratisering!) die zij krijgen.

Al lezend vroeg ik me af waarom een man met zulke logische, genuanceerde en consistente analyses toch bij velen zo immens impopulair was. Jan Pronk heeft dat in 2004 in een SP-bundel als volgt getypeerd:
"Hij riep de tegenstand ook zelf op door zijn beleid op een bevlogen wijze uit te dragen en zijn critici uit te dagen. Dat was minder een uiting van polarisatie dan wel een intellectuele behoefte. Den Uyl kende de twijfel van de intellectueel, naast de overtuigingskracht die nodig is voor politiek leiderschap. Hij trachtte die met elkaar in overeenstemming te brengen door zijn opinies en stellingen op een zodanige wijze te poneren dat tegenspraak niet kon uitblijven. Dat deed hij onder meer door zijn uitgangspunten en analyses scherper en radicaler te formuleren dan de politieke gevolgtrekkingen die hij er zelf uit afleidde. Deels was dat dialectiek, zijn methode van argumenteren. Den Uyl leefde van discussie en werd het vragen stellen nooit moe. Voor een ander deel was het de logische consequentie van zijn keuze voor een politiek van kleine stappen, binnen de marges van het democratisch systeem. Hij zag dat nooit als een beperkend keurslijf, maar als een te koesteren en te vervolmaken ideaal model. Wie dat niet in de gaten had keerde zich van hem af."

In diezelfde bundel oordeelt Pronk wel over de bruikbaarheid van de analyse van toen voor de wereld van nu:
"De huidige situatie in Nederland verschilt zeer sterk van die welke Den Uyl analyseerde en waarop hij trachtte greep te krijgen. Kon men voor 1980 nog denken dat een nationale ordening mogelijk is, de globalisering van de techniek, de economie en de communicatie heeft dat bijkans onmogelijk gemaakt. Natuurlijk heeft Den Uyl er ook zelf meermalen op gewezen dat veel van hetgeen hij voorstond alleen in internationaal verband tot stand gebracht zou kunnen worden, maar het was niet altijd duidelijk wanneer Den Uyl doelde op nationale en wanneer op Europese en internationale ordening. Zeker beschouwde hij het, als een goed politicus, eventueel niet tot stand komen van een betere internationale ordening niet als een ontbindende voorwaarde voor maatschappijhervorming op nationaal niveau. “De prioriteit van vraagstukken van internationale economisch ordening mag de aandacht niet afleiden van verdere maatschappelijke hervorming binnen nationale grenzen”, schreef Den Uyl reeds in 1952, in zijn artikel over een “Herorientering van het socialisme”) Terecht. Maar hervorming binnen nationale grenzen wordt steeds minder mogelijk wanneer er geen nationale grenzen meer zijn, dan wel wanneer die door economische en technologische krachten niet meer worden in acht genomen of erkend.
Dat was de tragiek van Den Uyl: hij wilde dat de gemeenschap greep zou krijgen op beslissingen over de economische en de technologische ontwikkeling, in het algemeen belang, maar hij moest toezien hoe die beslissingen zich verplaatsten naar buiten, zodat die gemeenschap steeds meer het toekijken had.
De volgende stap zou kunnen zijn dat die gemeenschap zichzelf eveneens internationaliseerde om die greep toch te kunnen uitoefenen. Dat zag Den Uyl, getuige zijn pleidooien voor Europese integratie en voor een nieuwe internationale economische orde. Echter, gemeenschapsbelissingen op internationaal niveau, zelfs als deze gebaseerd zijn op verdragsmatig vastgelegde supranationale bevoegdheden zullen nooit de democratische kwaliteit hebben die wel beschoren kan zijn aan beslissingen binnen de nationale staat. Die staat is immers gebaseerd op diep gewortelde en gemeenschappelijk ervaren en beleefde beginselen, normen en waarden, met boven ieder dispuut verheven democratische instituties als grondwet, een scheiding der machten, een representatieve volksvertegenwoordiging, onafhankelijke justitionele opsporingsinstanties, een onafhankelijke rechtsspraak en een vrije pers. En om die democratische kwaliteit was het den Uyl nu juist bovenal te doen."

Tot slot.

Over een actueel en aansprekend thema – de kwaliteit van de democratische rechtsstaat en het democratisch proces – schreef Den Uyl passages die zo in een debat van nu zouden passen. Ik noem er drie (gepubliceerd in een bundel uit 1978: Inzicht en Uitzicht. Opstellen over Economie en Politiek.)
“Het zijn juist de anonimiteit en haar spiegelbeeld, de verantwoordingsloosheid, die de huidige ontwikkeling kenmerken. Het zijn niet enkele schobbejakken, die uitsluitend op winst uit zijn, het is niet een bepaald misdadig volk, dat een oplossing dwarsboomt, het is het systeem, de organisatie, het bureau en de commissie, alle even ongrijpbaar en anoniem. Dat juist maakt de situatie zo wanhopig en geeft de publieke belangstelling de genadeslag. …. Het overheersen van de efficiency-norm, de jacht naar grotere productie en hogere winsten, de illusie van de nimmer eindigende vooruitgang hebben ons meegesleept in mammoet-organisaties, die een eigen leven leiden, onafhankelijk van de wil der burgers. De organisatie draait wel, maar we weten niet meer waarvoor. De uitvindingen gaan door, maar met welk doel? De organisatoren beslissen – in naam van wie?
De democratie werd een geloof, een panacee voor alle kwalen, maar hoevelen oefenen in feite nog enige invloed uit? De groepen die beslissen, althans menen te beslissen binnen het kader van de organisatie die hen drijft, isoleren zich automatisch. Zij hebben een eigen idioom en ze herkennen elkaar aan oogopslag en gebaar. Of het nu bedrijfsleiders, generaals of partijleiders zijn. … De gewone man mag er nog wel het zijne van zeggen, maar hij weet nu zekerder dan ooit, dat hij er helemaal niet aan te pas komt”

“Deze noodlottige ontwikkeling kan slechts worden gestuit door de tegenrevolutie van de gewone man, arbeider, professor of fabrikant. … Indien de burgers … geen medezeggenschap eisen in de beslissingen die vallen over het voortbestaan van onze beschaving, is er geen perspectief, dat de huidige ontwikkeling kan worden gestuit. Het is de taak der staatslieden om middelen en wegen te beramen, waardoor het mogelijk zal zijn de anonimiteit der organisaties te verbreken en opnieuw gezicht en verantwoordelijkheid te ontdekken bij de machten, die thans hun geheimzinnig spel spelen”

“De gevaarlijke dreiging voor de komende periode is het overheersen van de technocraten en de anoniem machten. … Wat ons in eigen land en elders vooral bedreigt is niet dat in conservatieve of kapitalistische richting wordt gestuurd, maar dat in het geheel niet wordt gestuurd; dat richting en visie ontbreken; dat wordt gedepolitiseerd; dat stuurloosheid bovendrijft; dat maatschappelijke spanningen niet meer worden vertaald in politieke tegenstellingen; dat onder de wattendeken van de sussende bezweringen het politiek bewustzijn wordt verdoofd”